Ga naar de inhoud Ga naar het zoeken Ga naar het menu
Logo van Gemeentearchief Vlissingen

Vlissingen van 1795 tot 1867

In 1795 werd het Haags Verdrag gesloten. Dit bepaalde ondermeer dat er in Vlissingen een Frans garnizoen gelegerd mocht worden en dat de havens door beide landen gebruikt mochten worden. Het bleek slechts een papieren overeenkomst. De Fransen deden alsof zij complete zeggenschap over Vlissingen hadden en niet zonder reden.

Bombardement

Frankrijk was inmiddels in oorlog geraakt met Engeland en Napoleon wilde niets liever dan Engeland onder de voet lopen. Napoleon had echter een vloot nodig om dat de bewerkstelligen. In de haven van Antwerpen en die van Vlissingen werd een enorme oorlogsvloot gereedgemaakt voor de oversteek naar Engeland.

Deze dreiging werd de Engelsen te groot. Ook zij zagen in dat Vlissingen strategisch goed was gelegen en in feite een pistool op de borst van Engeland was. De zogenaamde Engelse expeditie in 1809 was het voor Vlissingen dramatische gevolg. De Engelsen landden aan de noordzijde van Walcheren en bestookten Vlissingen vanuit de Westerschelde met brandraketten. De Franse generaal Monnet kon niet voorkomen dat Vlissingen zwaar werd beschadigd. Behalve het prachtige stadhuis aan de Grote Markt gingen ook 2 kerken en 65 woonhuizen in vlammen op. Er werden 250 huizen dermate beschadigd dat zij niet meer bewoonbaar waren. Vlissingen werd dus zeer zwaar beschadigd.

Veel inwoners hadden de stad al verlaten vanwege de oorlogsdreiging, de hoge kosten door het huisvesten van troepen en de beperkende bepalingen vanwege de handel en visserij. Het inwonertal werd bijna gehalveerd.

Nieuwe fortificaties

Na een paar maanden namen de Fransen het heft weer in handen en Napoleon gaf opdracht de stad zodanig te versterken dat een herhaling niet meer mogelijk was. Bij de wallen werden huizen gesloopt, nieuwe bastions gebouwd, een bomvrije kazerne tegen de Gevangentoren en de stad werd omgeven door kroonwerken. In 1807 had Napoleon het grondgebied van de stad al vergroot met 1800 meter in de omtrek van de vesting ten koste van Koudekerke en Oost- en West-Souburg. Aan de rand van die uitbreiding liet hij forten en kroonwerken oprichten.

Tussen Fort Montebello (Nolle) aan de westzijde en Fort St. Hilaire (latere Fort De Ruyter) aan de oostzijde moesten 3 kroonwerken verrijzen. Het linker-, midden- en rechter kroonwerk. Het linker kroonwerk is op de huidige plattegrond van Vlissingen nog goed zichtbaar in de vorm van woonwijk ‘Het Fort’. De Fransen konden hun plannen echter niet geheel meer uitvoeren omdat zij in 1814 het land moesten verlaten. Zij lieten Vlissingen berooid achter. Een Ville Morte (dode stad) aan de Westerschelde. Vlissingen moest weer worden opgebouwd.

Marinewerf

De werkgelegenheid kreeg een impuls door het terugkeren van het Loodswezen en de vestiging van de Marinewerf. In 1860 telde Vlissingen ongeveer 10.000 inwoners hetgeen problematisch werd binnen de vesting. Er ontstond een huisvestingsprobleem, omdat er mocht nog steeds niet buiten de vesting mocht worden gebouwd.

Toen kreeg Vlissingen weer een tegenslag te verwerken: De Marinewerf werd opgeheven en verplaatst naar het noorden des lands. Ook de vesting werd opgeheven waardoor ook de garnizoenen moesten verdwijnen. De stad dreigde weer in een economische malaise weg te zakken. Toen gebeurde er iets waardoor Vlissingen enorm zou veranderen.